emmanuelvierin.jpg

Home

Monografie

Oeuvre - catalogus

Opzoeken van werken

Signatures

Gedetailleerde schilderijen

Tentoonstellingen

Contacts

Biografie (vervolg)

Het Kortrijkse culturele leven

Kortrijk stond al in 19de eeuw hoog aangeschreven op cultureel en industrieel gebied. De vlasverwerking was traditioneel een belangrijke sector en de daaraan verbonden textielbewerking was in volle ontplooiing. Daarnaast ontwikkelden zich verschillende belangrijke industriële bezigheden. In een stad waar de economie bloeit, is er ook plaats voor kunst.

In Kortrijk werkten verschillende vooraanstaande kunstenaars, waaronder tal van schilders. Louis Robbe (1806-1887) liep in de voetsporen van zijn leraar Eugène Verboeckhoven (1798-1881) en beïnvloedde een generatie Kortrijkse dierenschilders.(19) We noemen Edward Woutermaertens (1819-1897), Joos-Vincent De Vos (1829-1875), Valere Verheust (1841-1881), Louis-Pierre Verwee (1804-1877), Edmond De Pratere (1826-1888) en de broers Velghe. Ook de landschapschilders speelden al van in de eerste helft van de 19de eeuw een grote rol met figuren zoals Jean-Baptiste De Jonghc (1785-1844) en Jean-Baptiste Daveloose (1807-1886). Viérin sloot zich echter niet bij deze romantische traditie aan maar nam hun pleinairisme wel mee in zijn oeuvre.

Emmanuel Viérin zette zich heel zijn leven in voor de geschiedenis en archeologie van de Kortrijkse gemeenschap en voor zijn passie, de kunst. Zo was hij een belangrijke figuur in de Kortrijkse academie. In 1896 werd hij er benoemd tot hulpleraar voor het vak ornament, masker en antiek beeld bij Kamiel Algoed, en bij het overlijden van deze laatste in 1909 werd hij tot 'eerste leraar' bevorderd. Vanaf 1912 was hij directeur. Hij bleef tevens leraar in een nieuw opgerichte cursus kunstgeschiedenis. Het is wel opvallend dat Viérin zelf nooit les in schilderen gaf. Zo heeft hij dus nooit rechtstreeks leerlingen gevormd. Hij was begrijpend en vaderlijk streng tegenover de leerlingen, dienstvaardig en minzaam tegenover de leraars.(20) Tijdens de Eerste Wereldoorlog was directeur Viérin afwezigen werd hij door voorzitter Paul Vandenpeereboom en Adolphe Oosterlynck vervangen tot zijn terugkeer in 1919.(21) In 1938, na 26 jaar dienst, nam Viérin ontslag als directeur. Toch stelde hij het op prijs om, ondanks zijn wankele gezondheid, lid van de jury voor de beoordeling van de werken van de leerlingen te blijven.(22)

In 1912 werd op de bovenverdieping van de Grote Hallen het nieuwe Museum voor Oudheidkunde en Sierkunsten ondergebracht.(23) Viérin verleende voor de inrichting van dit museum zijn medewerking aan conservator Joseph de Bethune. Hij nam in 1920 de fakkel van de Bethune over en werd benoemd tot conservator van het Museum voor Oudheidkunde en Sierkunsten en van het Museum voor Schone Kunsten. Vanaf november 1947 was hij hoofdconservator. Frans De Vleeschouwer volgde hem op als conservator van de afdeling Schone Kunsten.(24)

Als conservator (25) spande Emmanuel Viérin zich enorm in, maar hij kende ook veel ontgoochelingen. De Kortrijkse musea werden onder zijn leiding toonaangevend in de provincie. Hij nam niet alleen de zorg voor de bestaande musea op zich maar verwierf in 1931 met toestemming van de stad een herenhuis in de Rijselstraat nr. 51, dat een nieuwe locatie voor de collectie Schone Kunsten werd.(26)

Door de Tweede Wereldoorlog veranderde de situatie echter drastisch. Bij de geallieerde bombardementen van 21 juli 1944 werden de Grote Hallen, met daarin het museum voor Oudheidkunde en Sierkunsten, vernield. Ook het museum in de Rijselstraat werd getroffen. De collecties van beide musea waren sinds 1939 zoveel mogelijk in schuilkelders ondergebracht maar toch werd een groot deel van de collecties vernield of zwaar beschadigd.(27) De conservator probeerde zoveel mogelijk stukken te recupereren maar stootte daarbij op veel onbegrip. Viérin, die ook lid was van de Provinciale Commissie van Monumenten en Landschappen, was diep geraakt door deze tegenslag.(28)

De vriendenkring

In Kortrijk was Viérin omringd door een hechte groep kunstenaars. Deze artistieke vrienden namen een zeer belangrijke plaats in zijn leven in. Ze trokken er dikwijls samen op uit, op zoek naar natuurgezichten om te schilderen en ze kwamen veel samen ten huize van de ene of de andere. Ondanks hun uiteenlopende interesses en kunstrichtingen waren ze altijd bereid elkaar te helpen.

Over deze vriendenkring schreef Stijn Streuvels, naar aanleiding van het overlijden van Emmanuel Viérin: 'Buiten alle officiële instellingen, zonder vlag of kenspreuk, zonder voorzitter of secretaris hebben de vrienden een generatie lang het artistieke keurkorps uitgemaakt dat aan de stad Kortrijk een "aangezicht" en een kunstreputatie heeft gegeven.'(29) En verder: 'Het kan een zonderling toeval genoemd worden dat er op eenzelfde tijdstip, in een zelfde stad zulk een schaar begaafde kunstliefhebbers malkaar ontmoeten, als vrienden verbonden blijven, eensgezind, met kennis van zaken, met uitgesproken smaak en talent, er naar streven, het als hun plicht beschouwen te waken over de schoonheid van hun stad, hun best doen om het "oude" in eere te bewaren en het "nieuwe" zelf te scheppen.'(30)

Met andere leden van het Sint-Lucasgilde (31) werd in 1899 een nieuwe kring gesticht, 'Onze kunst om beters wille'. Dit Kortrijkse kunstgilde (32) had tot doel de oude en nieuwe kunstschatten van de stad te verenigen en te doen waarderen. Het was een creatieve kunstbeweging die, mede onder invloed van de vernieuwende ideeën van de Engelse Arts and Crafts Movement en de Duitse en Weense art nouveau, streefde naar een 'Gesamtkunst', een eenheidskunst, waarin plastische en toegepaste kunst verenigd werden. Een traditionele kunstambachtelijke stijl en een eigentijdse vormgeving gingen er samen.

Het Kortrijkse Kunstgilde
Het Kortrijkse Kunstgilde

De kring stelde ook alles in het werk om het Kortrijkse kunstpatrimonium te beschermen. Zo streed Viérin samen met zijn vrienden en onder leiding van Jozef De Coene in 1899 voor het behoud van 't Hallentorentje. Toenmalig burgemeester August Reynaert wilde de stad moderniseren en het Hallentorentje werd in zijn voortbestaan bedreigd. Dit belfort was met het Kortrijkse stadsbeeld vergroeid en niet weg te denken van de Kortrijkse Markt. Er ontstond een hevige strijd tussen voor- en tegenstanders van de afbraak. Er werd een grote bijeenkomst gehouden in de stad. Een door Joseph Viérin gemaakt ontwerp voor de restauratie van het Hallentorentje werd in de etalage van de winkel van De Coene in de Leiestraat tentoongesteld. Het laatste offensief van de vrienden was de inzameling van handtekeningen op petitielijsten: 'Tekent burgers, tekent vrank, 't is voor 't Halleken hier ter stede, voegt bij d'onze uwe bede, weest gegroet en zijt bedankt!' Het Halleke bleef.(33)

'Onze Kunst' wilde het werk van de vooruitstrevende Kortrijkse kunstenaars bekendmaken en organiseerde daartoe een aantal tentoonstellingen en voordrachten. De leden van de kunstkring probeerden ook, naar het voorbeeld van hun succesvolle Latemse vrienden, naam te maken als 'Kortrijkse School'. In 1899 kwam er een eerste tentoonstelling in het stadhuis. Priester Hugo Verriest, een talentvol spreker, hield de openingsrede. De tentoonstelling visualiseerde wat de Kortrijkse artiesten op het vlak van de interieurversiering aan kunst en toegepaste kunst te bieden hadden. Er waren zowel keramiekcreaties en meubelen als beeldhouwwerk en schilderijen te zien. De reactie van de Kortrijkse pers op deze eerste tentoonstelling was heel positief.(34) Zo publiceerde De Gazette van Kortrijk op 4 februari 1900 het volgende verslag: 'Wij wakkeren onze lezers aan de tentoonstelling "Onze Kunst" te gaan bezichtigen. Het is de laatste week dat ze openblijft. Wie schilderijen verkiest zal er prachtige en schone vinden van Em. Viérin, die gedurig in vooruitgang is, andere van Jozef De Coene en V. Verougstraete, jongere schilders, die reeds zeer verdienstelijk zijn en taferelen van waarde hebben. Wie meubels verkiest: er zijn meesterwerken van V. Acke. Allerschoonst ook en eigenaardig een meubel van Jozef De Coene. En wie zal Noppe niet bewonderen in zijn tekeningen?'

Ook Hugo Verriest bleef met de groep bevriend en wijdde artikelen aan hen in De Nieuwe Tijd.

Jozef De Coene (1875-1950) schilderde graag maar verwierf vooral faam met de oprichting van de Kortrijkse Kunstwerkstede, waar kunst en industrie elkaar ontmoetten.(35) Begeesterd door de Arts and Crafts Movement, trok De Coene vrienden-kunstenaars aan om bij hem te komen werken of om ontwerpen te tekenen. Het bedrijf groeide uit tot een cultureel centrum voor Vlaanderen. In 1906 won het de grote prijs van de Internationale Tentoonstelling in Milaan, waar De Coene deelnam met een Vlaams interieur. Om een echt Vlaamse atmosfeer en geest te creëren had hij Emmanuel Viérin gevraagd de wanden met landschappen uit onze streken te behangen. Viérin werd mede onderscheide

Salon flamand moderne
"Moderne vlaamsche woonkamer , tentoonstelling van Milanen, Grand Prix", uit het tijdschrift De Eikelaar, uitgegeven door de gebroeders De Coene, november 1926

Een andere belangrijke figuur in het Kortrijkse kunstmilieu van die tijd was Pieter-Jozef Laigneil. In navolging van Torhout begon hij in de Vanden Peereboomlaan met een pottenbakkerij waarvoor Emmanuel en Joseph tal van ontwerpen maakten. Ze ontwierpen siervoorwerpen in de lijn van de Jugendstil en de art deco. De ontwerpen waren sober van vorm en zuiver van lijn. Met hun eenvoudige kleurentinten pasten ze uitstekend bij het Vlaamse interieur met eiken kasten en massieve tafels.(36)

In 1902 hielp Emmanuel Viérin bij het organiseren van de herdenkingsfeesten ter gelegenheid van de 6ooste verjaardag van de Guldensporenslag in Kortrijk. Hij maakte ook een schets voor een praalwagen in de historische stoet.

De sterke gedrevenheid waarmee Viérin het Kortrijkse stadsgezicht van toen wilde bewaren, blijkt ook uit de volgende anekdote. Viérin verzette zich tegen de plaatsing van nieuwe lantaarns in het begijnhof van Kortrijk, omdat de geheimzinnige hoekjes en het warme licht daardoor verdwenen waren. Hij 'draafde den ganschen dag van 't eene lid van 't bestuur naar 't andere' en de oude lantaarns keerden terug op hun plaats.(37)

19 Paul Debrabandere & Isabelle De Jaegere, 1987.
20 Uit de lijkrede die werd uitgesproken door S. Coigné, Stadsarchitect, namens de Stedelijke Tekenacademie, in: In memoriam Emmanuel Viérin 1869-1954. Lijkredes gepubliceerd in: Handelingen van de Geschiedkundige en Oudheidkundige Kring van Kortrijk, 1954.
21 Achteraan op een schilderij met een duinenzicht in Domburg staat 'Hommage à Mr. Adolphe Oosterlynck en souvenir de son obligeant directorat de l'académie des Beaux-Arts de Courtrai durant les années de guerre 1915-16-17 et 18. Emmanuel Viérin, Courtrai le 26 mai 1919'.
22 Jozef Berteele, André Devolder & Marcel Devriendt, 1960, pp. 32-34.
23 Gustave Caullet, 1934, pp. 14-17; André Van Doorselaer, Jacques Viérin, Ernest Warlop, Niklaas Maddens & Paul Vancolen, 1990, pp. 435-437.
24 Raymond Goemaere, 1996, p. 14.
25 Gustave Caullet, 1934, pp. 7-12; André Van Doorselaer, Jacques Viérin, Ernest Warlop, Niklaas Maddens & Paul Vancolen, 1990, p. 437.
26 Na de Tweede Wereldoorlog werd het huis aan de Rijselstraat al snel te klein. Het stadsbestuur kocht in 1956 het huis Delplancke aan de Broelkaai 6, hethuidige Broelmuseuin.
27 Raymond Goemaere, 1996, p. 12.
28 Toespraak van André Delvoye, Président du Cercle Royal Historique et Archéologique, in de vergadering van 21 januari 1954, in: In memoriam Emmanuel Viérin 1869-1954.
29 Stijn Streuvels, 1954,p. 37.
30 Ibid.,p.38.
31 Het Sint-Lucasgilde werd gesticht in 1886 en organiseerde vrij regelmatig tentoonstellingen en voordrachten.
32 Leden van 'Onze Kunst' waren: Victor Verougstraete (1868-1935), Jozef De Coene (1875-1950), Adolf De Coene (1879-1933), Arthur Deleu (1884-1966), Karei Noppe (1867-1953), Pieter-Jozef Laigneil (1870-1950), Victor Acke (1964-1953), Richard Acke (1873-1934), Omer Provost (1872-1959), Albert Caullet (1875-1950), Edouard Messeyne (1858-1931). Zie ook: Linda Smismans, 1999; Paul Thiers, 2000, p. 108.
33 Fred Germonprez, 1967, pp. 59-64; Linda Smismans, 1999, p. 74-75; Hélène Huyghebaert, 1985, p. 18.
34 Wij vonden dit terug in krantenknipsels van januari en februari 1900: De Waarheid'(7 januari, 28 januari, 4 en 11 februari 1900); 'Journal de Courtrai et de l'arrondissement (28 januari 1900); L'écho de Courtrai (21 januari, 4 en 11 februari 1900). Linda Smismans, 1999, p. 38, meldt echter dat deze tentoonstelling slecht werd ontvangen: 'Zelfs het werk van Emmanuel Viérin, die toen reeds een stevige reputatie genoot, werd afgekraakt. De harde kleuren, de scherpe lichteffecten en de vaagheid van de tekening waren voor heel wat critici onaanvaardbaar.'
35 Zie ook: Fred Germonprez, 1967.
36 Een aantal ontwerpen die in opdracht van Laigneil in Torhout en in Kortrijk werden gemaakt, werden gebundeld in een modelboek dat zich nu in het Amand Maes Museum voor Torhouts Aardewerk in Torhout bevindt. Werner De Baere, Piet Swimberghe & Stefan Vandenberghe, 1987, pp. 70-71; Leo Cuvelier & Paul Peremans, 1987, pp. 109-110.
37 'Twee Vlaamsche steden', in: Buiten, 18 november 1916, pp. 556-557.


(c) Vereniging « Emmanuel Viérin 1869-1954 » - 2015